Info > Historiek

Historiek

DE KERK VAN DE HEILIGE KRUISVERHEFFING
Reeds meer dan 1000 jaar komen mensen hier God vereren. Van deze neogotische kerk werd in 1853 de eerste steen gelegd. Het is de vierde kerk op deze plaats. Pierre N. Croquison was de architect en Jean Baptiste Bethune tekende voor het interieur.

Het Kruis van Christus is het centrale thema van de kerk en de parochie. Het gebouw heeft een kruisvormig grondplan. Het hoogaltaar vertelt over de gekruisigde Christus. Een waardevolle kruisreliek uit 1485 wordt in de kerk bewaard. 14 september is het feest van de parochie, de Heilige Kruisverheffing.


DE KAPEL SINT KRUIS IN GERA
(van de 10de of 11 de eeuw tot de 12 de eeuw)

De oudste betrouwbare vermelding van een kapel in Sint Kruis dateert uit 1089. Dan is er sprake van “capella S(anctae) Crucis in villa que d(icitu)r gera”: de kapel van het Heilig Kruis op het domein dat Gera genoemd werd. De domaniale parochie Sint Kruis zou tussen 850 en 950 gesticht zijn vanuit de parochie Sijsele, grenzend aan het oosten. De grens met de O.-L.-V.-parochie aan de westzijde werd gevormd door de Langerei, nu nog steeds de grens tussen Sint Anna (ontstaan vanuit Sint-Kruis) en Sint Gillis (ontstaan vanuit de parochie O.-L.-Vrouw).

DE EERSTE KERK
(van de 12de eeuw tot 1383)

In een vergunningsbrief van Filips van de Elzas uit 1183 wordt een kapel vermeld. Bij de dood van gravin Margareta I van de Elzas in 1194 is er reeds sprake van een kerk van Sint Kruis waarin ze tijdelijk begraven werd. De uitgestrekte parochie viel toen onder de heerlijkheden van het Proosse, het Kanunnikse, het Sijseelse, Viven en Male. De kerk zelf stond onder het gezag van het kanunnikenkapittel van Sint Donaas.

Op 23 april 1383 werden de kerk en al de huizen tot aan de Kruispoort platgebrand door de Gentenaar Frans Ackerman omdat hij na een belegering van negen uur er niet in geslaagd was met zijn leger de stad Brugge binnen te dringen. In de beschrijving van die belegering stelt kroniekschrijver Karel Custis dat de kerktoren 'zeer schoon en hoog was'.

Archeologische vondsten wijzen erop dat de basis van die kerk met veldsteen moet gebouwd zijn. Op het kerkhof werden eveneens grafschilderingen van ca. 1300 en gesculpteerde dekstenen van 1344,1358 en 1380 aangetroffen.


DE TWEEDE KERK
(van 1383 tot 1577 & van 1585 tot 1614)
De kerk moet spoedig na haar vernieling heropgebouwd zijn. Kaarten van Marcus Gerard (1562) en Pieter Pourbus (1574) tonen een kruisvormige gotische kerk met transept en noordbeuk. De vrij zware westtoren had vier hoektorentjes.

Wegens het dreigend gevaar van de godsdienstoorlog besloot de Brugse stadsmagistraat op 27 juni 1577 om kerken en kloosters rond de stad te slopen. Dit om te vermijden dat ze door vijandelijke troepen zouden gebruikt worden. Naast de kerk sneuvelde in Sint Kruis ook het kartuizerklooster Genadedal. Ook de Sint-Annakerk werd vernield waardoor de parochiegeestelijken de kapel van het Sint-Obrechtsgodshuis in de Langestraat dienden te gebruiken. Uiteraard was deze kapel te klein zodat in 1585, na een periode van politieke en sociale onrust, de kerk van Sint Kruis andermaal werd heropgebouwd op basis van de overgebleven muurresten. Uit deze kerk wordt nog de renaissancistische memoriesteen in de noordbeuk bewaard.

DE DERDE KERK
(van 1614 tot 1856)

In 1612 werd gestart met de bouw van een nieuwe kerk op het kerkplein. De kerk was 16 meter lang en 13 meter breed, had een kruisvorm en aanvankelijk geen zijbeuken.
Boven de ingang stond een kleine klokkentoren met één klok. Bisschop K.F. de Rodoan wijdde de nieuwe kerk in op 25 mei 1614 en stelde ze onder de bescherming van Sint Marcus. In 1651 werd een zuidbeuk aangebouwd, waarvan het altaar in 1652 nog niet ingewijd was. Op dat altaar stond een schilderij met voorstelling van de omarming van O.-L.-Vrouw door Sint Anna. Op het hoogaltaar stond een retabel met afbeelding van de geboorte van Christus.

Naast een raam nabij de doopvont in de zuidbeuk hing een schilderij met voorstelling van de mirakels van het Heilig Bloed in Wilsnaken (Duitsland). Dit schilderij was geschonken door het ambacht van de schippers die voeren tussen Brugge en Sluis. Zij hadden vroeger een kapel in de kerk. Ook de Sint Sebastiaansschuttersgilde uit Sint Kruis zou in de zuidbeuk een kapel gehad hebben waar een schilderij met de voorstelling van Sint Sebastiaan hing. Verder was er nog een schilderij van O.-L.-Vrouw en een schilderijtje van O.-L.-Vrouw met de zeven werken van barmhartigheid en de hel.

Het kerkhof, een groot vierkant stuk met stenen ommuring, werd begraasd door schapen. In
1730 schonk het Sint Donaaskapittel een nieuwe torenklok en werd een nieuwe barokke communiebank geplaatst. Deze laatste behoort nog steeds tot het kerkpatrimonium. Rond 1795
werd het bestaande orgel van Lodewijk de Deyster vervangen door een nieuw exemplaar en in dezelfde periode werd een nieuwe, classicistische doopvont geplaatst door de Brugse steenhouwer Eugenius Feys. Ook die doopvont is nog bewaard.

DE VIERDE KERK
van 1853 tot ...

Het verhaal van de bouwgeschiedenis start officieel op 6 april 1851 wanneer de kerkfabriek voor de eerste maal formeel bekend maakt dat ze de bestaande kerk wil wijzigen. Dit omwille van plaatsgebrek in de bestaande kerk en een te lage klokkentoren waardoor het klokkengelui niet de volledige, uitgestrekte parochie kon bereiken. Meteen werd de voorkeur gegeven aan een nieuwe kerk en daarvoor gaf ze de volgende redenen: de slechte staat van muren en dak van de bestaande kerk, het feit dat de kerk lager lag dan de onmiddellijke omgeving wat vochtproblemen gaf en ten slotte het argument van de architecturale stijleenheid. Er werd een subsidie aan de gemeente aangevraagd, spaargeld werd opgevraagd en onroerende goederen werden verkocht om zoveel mogelijk fondsen te verzamelen. Bovendien was reeds voor 8.000 frank aan giften van enkele welgestelde families verzameld.

Architect Pierre Nicolas Croquison had reeds twee maand vóór de beslissing van de kerkfabriek ontwerpen gemaakt voor een grote, nieuwe kerk. Het idee om een nieuwe kerk te bouwen moet dus reeds geruime tijd geleefd hebben vóór de formele beslissing. De plannen komen grosso modo overeen met het gerealiseerde, behoudens enkele versieringen. Daarnaast maakte Croquison ook een presentatietekening, opgedragen aan bisschop J.B. Malou.

De ontwerpen van P.N. Croquison werden naar de provinciale overheid gezonden waar ze door provinciaal architect Pierre François Buyck (1805 1877) beoordeeld dienden te worden. Buyck stuurde op 6 oktober 1851 een brief aan gouverneur de Vière waarin hij het ontwerp van Croquison afkeurde en een eigen voorstel deed. Dit tegenvoorstel bestond erin de bestaande kerk te vergroten. Mocht de kerkfabriek niet akkoord gaan met deze uitbreiding en verbouwing, dlan zou hij zelf een nieuwbouw uitwerken. Het is duidelijk dat provinciaal
architect Buyck niet gelukkig was met “indringer” Croquison en absoluut het project in eigen handen wou krijgen. Het antwoord van Buyck viel niet in goede aarde bij Croquison die meteen een uitgebreide schriftelijke verdediging opstelde en verklaarde dat Buyck zijn positie als provinciaal architect misbruikte om een monopolie te verkrijgen.

Op 8 december herbevestigde de kerkfabriek haar wens om een nieuwe kerk te bouwen naar plannen van Croquison omdat deze slechts 2.500 frank duurder was dan het voorstel van Buyck. De plannen werden ter goedkeuring opgestuurd naar de Koninklijke Commissie voor Monumenten die een aantal wijzigingen aanbracht nadat leden L. Roelandt, T. F Suys en N. Roget een bezoek aan de site hadden gebracht. Op 14 september 1852 liet de kerkfabriek aan het gemeentebestuur weten dat de uitvoering van Croquisons plan definitief beslist was. Op 22 januari 1853 tekende koning Leopold I het koninkiijk besluit betreffende de toelating tot het bouwen van een nieuwe kerk. Men kon dus overgaan tot de werken.

Het lastenboek werd opgesteld op 20 februari, gevolgd door de openbare aanbesteding in het gemeentehuis op 18 april: vijf offertes werden ingediend, gaande van 61.800 tot 80.000 frank. De werken werden toegewezen aan de goedkoopste, aannemer François Huys, die handelde in eigen naam en die van schilder L. Cockelaere en stucwerker L. Laureyns. De werken startten kort nadien, want op 21 juni kon de aannemer al voor een tweede maal uitbetaald worden.

Acht dagen nadien, op 28juni 1853, kwam bisschop Malou de eerste steen leggen. Andere aanwezigen waren onder meer gouverneur Adolphe de Vière, burgemeester Marie Jean Visart de Bocarmé en de gemeentelijke schepenen. Naar aanleiding hiervan werd een chronogram opgemaakt.

Na de bouw van de funderingen ging men vrij vlug over tot de opbouw van de kerkmuren. Alles verliep vlot tot begin 1854: toen ontstonden er problemen met aannemer Huys om tweeërlei redenen. Vooreerst lag de aanbestedingsprijs bijzonder laag met als gevolg dat door een stijging van (materiaal)prijzen de toen al kleine winst van de aannemer miniem werd. Ten tweede beschuldigde F. Huys de architect ervan zijn detailplannen veel te laat geleverd te hebben. Croquison antwoordde echter met de stelling dat de aannemer veel te lang had gewacht met het doorgeven van de plannen aan de arbeiders. Nadat de werken waren stilgelegd en nadat een rechtszaak werd aangespannen tegen de aannemer konden de werken, nu in regie, voortgezet worden vanaf 23 september 1854. Maand na maand werd doorgewerkt zodat tegen eind 1855 de voltooiing in zicht was. Naar aanleiding van het overlijden van burgemeester Visart werd de kerk versneld afgewerkt. Daags voor de lijkdienst kon deken Pierre Tanghe de nieuwe kerk op 19 november 1855 inwijden. Ze was echter nog niet af want nog tot augustus 1856 werden werklieden betaald.

Op 6 april 1857 kon architect P.N. Croquison de eindafrekening maken: de kerk kostte 72.403,96 frank. Dat was veel meer dan de aanbestedingsprijs. Oorzaken hiervoor waren prijsstijgingen van de bouwstoffen, een te lage instelling van de ramingsprijzen door de architect en ten slotte het instorten van een groot stuk dakspant in opbouw door een hevige storm.

Verder verloop

Omdat té economisch gebouwd was ontstonden reeds enkele jaren na de voltooiing enkele problemen met het bouwmateriaal. In 1875 werd een begroting voor herstellingswerken aan de kerk opgemaakt door provinciaal architect Pierre Buyck en de werken werden toegewezen op 2 april 1879 aan aannemer Louis Buickaert.

Gedurende jaren veranderde weinig structureels aan de kerk. In 1931 werd aan de bestaande sacristie een grotere sacristie gebouwd, eveneens in gele baksteen, door aannemer Louis Priem en naar ontwerp van Maurice Allaert uit Kortrijk. De ramen van de aanbouw werden voorzien van fraai uitgewerkt smeedijzer in zuivere art deco.

Kort voor de Tweede Wereldoorlog, in 1938, werden plannen getekend door de Brugse architecten Alphonse de Pauw en Maurice Hocepied om de kerk te vergroten aangezien de bevolking van de parochie sterk was toegenomen. Door de oorlogsdreiging werden die plannen echter niet uitgevoerd en ook na de oorlog bleven de plannen opgeborgen.

Begin de jaren zestig verkeerde de kerk in een slechte fysieke staat: het venstermaaswerk viel naar beneden, de houten latten van het gewelf waren aangetast door houtworm, van de meeste buitenmuren was het voegwerk eruit gevallen, enzovoort. Er werd meermaals een volledige afbraak en nieuwbouw voorgesteld. Door de oprichting van drie nieuwe parochies in Sint Kruis in het hetzelfde decennium (de Sint Thomas van Kantelbergparochie sinds 1961, de Sint Franciscuskerk in 1963 en het houten Sint Lutgardiskerkje of 't Schuurtje in 1964) werd de druk op de ketel wat verlicht. Men opteerde dan ook voor renovatiewerken aan de neogotische kerk, wellicht om economische redenen en onder sterke druk van het bisdom. Het interieur werd in 1966 volledig wit geschilderd. In 1992 1993 werden herstellingswerken uitgevoerd aan de natuurstenen vensters en aan de brandglasramen, naar restauratieplannen van architect Erik Van Biervliet.